Concurrentie en mutualiteit, ook bij planten
Tussen planten onderling kunnen verschillende vormen van relaties bestaan. Soms helpen planten elkaar, soms werken ze elkaar tegen. Een voorbeeld van de eerste situaties is wat men noemt 'mutualiteit'. Mutualiteit is hulpbetoon van organismen aan elkaar tegen een gemeenschappelijke negatieve invloed. Denk maar aan een beukenbos, waar de kronen bij elkaar aansluiten en zo de stammen beschermen tegen zonnebrand. Beuken hebben immers een zeer dunne schors die zwaar beschadigd raakt als hij te sterk opwarmt door de zon. Alle individuen van de Beuk samen maken dus een typisch beukenbos, waarin de beuken het prima doen, ten koste van de meeste andere organismen, die niet zo hoog en oud kunnen worden als de Beuk, en die ook niet kunnen groeien in zijn diepe schaduw.
Mutualiteit is een zeer gewoon verschijnsel bij grassen en schijngrassen. Eén grasspriet betekent niets, maar met velen samen domineren ze de vegetatie en zijn ze goed gewapend tegen het milieu. Helm is zo in staat stuivend zand vast te leggen en duinen op te bouwen. Driekantige bies houdt stand tegen sterke golfslag. Grassen in een weide vormen zoden of dikke pollen, waarin andere planten maar moeilijk binnendringen. Op deze manier beschermen ze zich tegen kiemende concurrenten, maar ook tegen grazende dieren. Eén grasspriet maakt geen kans tegen bvb. een schaap, maar een dikke pol zal zeker nooit helemaal afgegraasd worden.
Het is mogelijk dat de graszode uit één grassoort bestaat, maar er kunnen ook verschillende soorten redelijk harmonisch door elkaar groeien. Mutualiteit kan dus tussen verschillende soorten voorkomen. Ook moskussens met verschillende mossoorten geven een bescherming tegen uitdroging.
Een andere relatie tussen planten is concurrentie. Zoals de naam al laat vermoeden, houdt dit net het tegengestelde in van de mutualiteit. Plantensoorten en individuen voeren een constante strijd om licht, water, voedingselementen en om de plaats waar ze kunnen groeien. Elke soort heeft wel ergens een zwakke plek en daarom zijn er ook zoveel plantensoorten op aarde. In de loop van de evolutie hebben alle soorten zch min of meer gespecialiseerd en ontlopen ze zo de directe concurrentie met exemplaren van andere soorten in zekere mate.
Ten opzichte van exemplaren van dezelfde soort kan de concurrentie des te harder spelen. Darwin had opgemerkt dat deze selectie tussen de exemplaren van éénzelfde soort de (of een) motor is van de evolutie. Darwin poneerde namelijk het volgende (en ook niet meer dan dat) :
- alle organismen zijn in staat meer nakomelingen te krijgen dan strict noodzakelijk is voor het voortbestaan van de soort
- een deel van de nakomelingen sterft door puur toeval
- een deel van de nakomelingen sterft omdat ze minder goed aangepast zijn aan de heersende omstandigheden
- de overlevenden zijn min of meer in staat hun goede eigenschappen door te geven aan de volgende generatie
Darwins survival of the fittest kan best vertaald worden als het overleven van de best aangepasten, en niet van de fitsten zoals wel eens macho-achtig wordt beweerd.
| Ben je geïnteresseerd in de ecologische relaties tussen tussen planten, wil je wat meer vernemen over ecologie of leren werken met een flora, dan ben je misschien wel geïnteresseerd in de module ecologie... |

