Inverde

Dossiers

Wilde kardinaalsmuts - Evonymus europaeus

door Willy Verbeke, docent Inverde

De Wilde kardinaalsmuts is tussen onze inheemse flora een uniek geval, ondanks het feit dat de bladeren en de bloemen er in feite zeer banaal uitzien. De bladeren zijn kortgesteeld, langwerpig met spitse top en wigvormige voet. Voeg daarbij nog een ondiep gezaagde rand en een kruisgewijze tegenoverstaande bladstand, zodat ze haast niet simpeler van vorm konden zijn. De onopvallende bloemen staan met enkele samen in kleine bloemgestellen in de bladoksels en bestaan uit vier piepkleine kelkblaadjes, vier bleekgroene kroonblaadjes, vier meeldraden en een stamper die omgeven is door een groengekleurde honingschijf. De bloemen vormen zich na de bladeren.

Toch is de Wilde kardinaalsmuts een zeer boeiende struik boordevol verrassingen. Er zijn namelijk heel wat bloeicombinaties om kruisbestuiving te bevorderen. Zo zijn er struiken met enkel mannelijke bloemen en andere met enkel vrouwelijke. De Wilde kardinaalsmuts is echter niet tweehuizig zoals wilg of populier, want er zijn ook exemplaren met gewone tweeslachtige bloemen, al dan niet in combinatie met vrouwelijke en/of mannelijke bloemen. Om het helemaal compleet te maken bestaan er ook struiken met enkel éénslachtige bloemen, maar dan wel van beider kunne op hetzelfde exemplaar (éénhuizig). Zelfbestuiving wordt bij de tweeslachtige “gewone bloemen vermeden omdat de meeldraden enkele dagen eerder rijp zijn dan de stempel. Ingewikkeld ? Zeker weten. Als je nog eens een bloeiende kardinaalsmuts tegenkomt, moet je er maar eens op letten. Je kan de éénslachtige bloemen herkennen aan de slecht ontwikkelde meeldraden of stamper.

De twijgen blijven jarenlang groen en doen aan fotosynthese, ook wanneer de struik onbebladerd is. Het is wel een typische groene kleur, nogal flets blauwgroenachtig. Nog meer kenschetsend zijn de vier kurklijsten die de oudere twijgen vierkantig maken, meestal te zien als bruine of geelachtige lijntjes. Geen enkele andere inheemse struik bezit deze combinatie van groene twijgen met ontwikkelde kurklijsten, zodat de Wilde kardinaalsmuts in alle seizoenen goed herkenbaar blijft, zelfs in het geval van totaal verkommerde halfdode exemplaren.

Ook met de groei is er iets bijzonders. Eind juni vormt de Wilde kardinaalsmuts namelijk Sint-Jansscheuten. De term vindt zijn oorsprong bij de heilige Johannes, de populaire evangelist van het licht, wiens feestdag valt bij de langste dag van het jaar, namelijk de 21ste juni. Ook de Zomereik vertoont een dergelijke jaargroei in twee golven, maar bij de Wilde kardinaalsmuts kan er zelfs een tweede bloei in de nazomer optreden aan deze Sint-Jansloten. Toch wordt onze kardinaalsmuts niet zo hoog, meestal betreft het min of meer forse struiken tot maximum 6 m, die af en toe de vorm hebben van een kleine boom. De stoofopslag en het regeneratievermogen vanuit ondergrondse delen is daarentegen bijzonder goed ontwikkeld. Een Wilde kardinaalsmuts kan op alle momenten in het groeiseizoen en bij de minste kans weer opschieten in alle richtingen.

De bladeren vertonen een fraaie rozerode herfstkleur, die echter vaak wordt overtroffen door de kleur van de zeer typische vruchten, die verantwoordelijk zijn voor de Nederlandse naam van de struik. Het uniform van Roomskatholieke kardinalen omvat namelijk traditioneel een klein rood hoofddeksel met bovenaan een structuur voorzien van vier uitsteeksels. Onze Belgische aartsbisschop draagt het zelden of nooit, maar sommige van zijn buitenlandse collega’s gebruiken het bij elke officiële gelegenheid. Wilde kardinaalsmuts heeft een vierhokkige doosvrucht die zeer fel gekleurd is : dieproze, helder rood tot zelfs purperrood. Elk hokje opent zich volgens een overlangse spleet waarna de rijpe zaden aan dunne draadjes naar buiten gaan hangen als aan een navelstreng. Wat we zien hangen is echter niet het eigenlijke zaadje, maar wel een structuur bestaande uit het witte zaadje omgeven door een helder oranje zaadrok (arillus). Dieren komen hier op af en eten ervan. Voor de mens zijn de zaden echter giftig.

Verwantschap met andere soorten

De hoger vermelde zaadrok is een typisch kenmerk van de hele Kardinaalsmutsfamilie (Celastraceae), die 800 à 900 soorten omvat in de warme en gematigde streken van alle werelddelen. Bij ons is er slechts één soort inheems en ook in de rest van Europa komen niet zoveel soorten van nature voor. In Zuid- en Midden-Europa vinden we Evonymus latifolius met duidelijk grotere bladeren (8-16 cm lang), die ook wel eens in België verwildert. Nog gemakkelijker te herkennen is Evonymus verrucosus uit Centraal en Oost-Europa met zijn zeer ruwe wrattige twijgen. Naast de hoger vermelde winterkale Europese struiken worden vooral twee Japanse wintergroene soorten bij ons als sierplant gekweekt. Evonymus japonicus is een tot 5m hoge struik die echter de laatste jaren wel veel te lijden heeft gehad van strenge winters. Evonymus fortunei is een kleine soort met blaadjes die slechts een paar cm groot worden. Hij wordt gebruikt als grondbedekker, in bloembakken en eventueel als klimplantje. Beide soorten zijn doorgaans te vinden met bont gekleurde bladeren. Eveneens uit Oost-Azië komt de bladverliezende Evonymus alatus, waarbij de kurklijsten buiten alle proporties uitgegroeid zijn.

Verspreiding en standplaatsen

Wilde kardinaalsmuts - doornpanneOnze Wilde kardinaalsmuts komt van nature enkel in Europa voor, van West-Europa tot in de Kaukasus. In het grootste deel van Noord-Europa ontbreekt hij, maar bij ons in Vlaanderen is hij volledig winterhard. In de Ardennen is hij eveneens niet te vinden; blijkbaar is het hem daar al te koud. Dit is niet verwonderlijk voor de enige vertegenwoordiger bij ons van deze plantenfamilie uit warmere streken. Een andere beperking in zijn voorkomen betreft zijn bodemeisen. Het liefst groeit hij op voedselrijke kalkhoudende lemige bodem, zodat hij in Vlaanderen het meest voorkomt in de leemstreek. Elders is hij zeldzamer tot plaatselijk ontbrekend, zoals op de zeer arme, zure en droge zand- en grindbodems van het plateau van de Hoge Kempen in Limburg. In zeeklei- en veengebieden komt hij evenmin voor. De vochtigheid van de bodem is niet zo belangrijk : hij komt zowel voor in moerassige valleien als op droge kalkrotsen. Wilde kardinaalsmuts verdraagt zeer veel schaduw, zodat hij vele jaren als halfdood, miezerig struikje in een donker bos kan overleven. Het vermogen van de twijgen om aan fotosynthese te doen op het moment dat de grote bomen nog geen bladeren dragen zal hier zeker bij helpen. Wanneer er opnieuw meer licht komt op de standplaats kan deze struik explosief groeien en hetzelfde jaar nog vruchten dragen. Hiermee is ook duidelijk dat hij relatief bevoordeligd wordt door een hakhoutbeheer met een korte omloopstijd. Andere typische standplaatsen zijn bosranden en oude hagen. Merkwaardig is wel dat deze struik in Vlaanderen bijna nooit massaal of dominant voorkomt. Het gaat bijna altijd om enkele exemplaren verspreid in het landschap, wat hem echter nog niet zeldzaam maakt. Ook komt hij reeds zeker meer dan 3000 jaar in onze streken voor. Kardinaalsmuts groeit van nature in de zeeduinen, zij het ook daar nogal plaatselijk. Hiermee schaart hij zich in het lijstje struiken dat nog kan leven in de zone dicht bij de zee waar echte boomgroei onmogelijk is : Gewone vlier, Wilde liguster, Duindoorn, Eenstijlige meidoorn en enkele rozensoorten. In deze duinstrook wordt hij meer dan de andere struiksoorten aangevreten door de konijnen. Dit neemt niet weg dat onze Wilde kardinaalsmuts één van de mogelijke soorten is bij aanplantingen in de kustduinen, zeker ook daar waar geen grote bomen meer kunnen groeien omwille van de nabijheid van de zee.

Relaties met andere organismen

kardinaalsmuts besjesDe Kardinaalsmutsvuurzwam (Phellinus ribis f. evonymi) is een kleine gaatjeszwam die groeit aan de voet van oudere stammetjes. Er kunnen donkerbruine afstaande hoeden gevormd worden, maar soms groeit de zwam enkel als een soort korst. De vruchtlichamen zijn meerjarig, waarbij de laatste jaarring in de zomer als een goudgele zoom contrasteert met het oudere donkerbruine gedeelte. Er bestaat een roestzwam (Melampsora epithea Thüm) die groeit op de bladnerven en bladstelen en daar te zien is door het oranje sporenpoeder. De tussengastheer van dit organisme bestaat uit struikachtige wilgen van de groep van Geoorde wilg. Een dergelijke roest is onder bosbouwers beter bekend bij populier en lork, maar het betreft hier een andere schimmelsoort, weliswaar uit hetzelfde geslacht.. De rupsen van de Grote kardinaalsmutsstippelmot (Yponomeuta cagnagellus) kunnen in dergelijke mate voorkomen dat de struiken in de voorzomer kaalgevreten zijn en bedekt door het spinsel van de rupsen. Daarop verpoppen de rupsen en kunnen de struiken weer uitgroeien door de vorming van Sint-Jansscheuten. Dit levert al bij al weinig nadeel op voor de struik, zodat dit kan beschouwd worden als een goed voorbeeld van evenwicht tussen 'prooi en predator'. Het feit dat de struik aan fotosynthese kan doen via de groene twijgen is natuurlijk in dit geval een groot voordeel. Reeën en vooral konijnen grazen graag aan de struiken. Vooral in het winterrantsoen van het konijn kan de groene bast van de kardinaalsmuts een belangrijke plaats innemen. De stammetjes en takjes worden rondom afgeknabbeld en sterven daarop af. Gelukkig heeft de soort een enorm regeneratievermogen vanuit de ondergrondse delen, maar in dit geval is de lang groenblijvende voedselrijke schors een duidelijk nadeel. Enkele bladluizen zitten graag op de Wilde kardinaalsmuts en de spanner Ligdia adustata, een bruinig witte nachtvlinder, komt enkel op deze struik voor. Vogels eten de vruchten, meer bepaald de zaden omgeven door de oranje zaadrok, waarbij het zaad zelf ongeschonden hun darmkanaal kan passeren. Lijsters, mezen en roodborstjes zorgen zo voor de verspreiding van deze struik.

Sierwaarde en teelt

Wilde kardinaalsmuts kan vrij gemakkelijk geteeld worden uit zomerstek in juni-juli. Dit gebeurt in de koude kas en er hoeven geen groeihormonen gebruikt te worden. Ook de teelt uit zaad is natuurlijk mogelijk. Als haagplant verdraagt hij zeer veel snoei, maar hij wordt toch weinig gebruikt, daar de takken nogal slap zijn. In hagen vinden we hem dan ook in menging met stevigere soorten zoals meidoorn of haagliguster. Doorgaans is hij er dan spontaan tussen komen groeien en maakt hij langere scheuten dan de hoofdsoort. De meeste mensen merken hem echter niet op omdat de struiken omwille van de snoei niet aan de vorming van hun typische vruchten toekomen. Bij de aanplant van een grotere gemengde haag is hij zeker een aangewezen soort, evenals in houtwallen. De soort komt het best tot zijn recht in natuurlijk opgebouwde struweelmassieven, waar hij breed kan uitgroeien. Weinige van onze inheemse struiken vertonen immers de kleur rood, waarbij kardinaalsmuts ook in de herfst en de winter onmiskenbaar een decoratieve waarde heeft, als men hem tenminste de volle ruimte geeft. Wilde kardinaalsmuts is reeds eeuwen als sierplant in cultuur, zodat hij eigenlijk ook zo 'wild' niet meer is. Er bestaan tal van siervariëteiten. Zo zijn er met afwijkende bladkleuren, bijvoorbeeld ‘Purpureus’ met smalle bruinrode bladeren en ‘Aucubifolius’ met geelachtige tot geel gevlekte bladeren en purperrode herfstkleur. Aangezien de vruchten de sierwaarde uitmaken van deze soort is er door de tuiniers-veredelaars dan ook hard op gewerkt : ‘Albus’ met witte vruchten, ‘Atrorubens’ vruchten donker karmijnrood, ‘Red Cascade’ vruchten zeer talrijk en helderrose, ...

Besluit

De grootste natuurlijke troef van de Wilde kardinaalsmuts is zijn explosieve vegetatieve hergroei zowel uit bovengrondse als ondergrondse delen. Hiermee kan hij vraat van dieren of lange periodes van beschaduwing snel te boven komen en met succes opboksen tegen andere struiken en bomen onder een hakhoutbeheer. Toch is de Wilde kardinaalsmuts geen pioniersoort, we vinden hem in gevestigde vegetaties met een zekere dynamiek. Deze levensstrategie vraagt echter zeer veel voedingsbestanddelen uit de bodem, zodat hij alleen talrijker voorkomt op rijkere, goed gestructureerde bodems. De opvallende vruchten en de roodachtige herfstkleur maken zijn decoratieve verdiensten uit, zodat hij als sierstruik naar waarde geschat wordt. In het bosbeheer is hij op de betere standplaatsen een aangewezen en zeer verdienstelijke mengsoort, niet in het minst omwille van het rijke dierenleven dat hij meebrengt. 

Misschien ben je ook geïnteresseerd in de volgende informatie:


AANDACHT: De internet-browser die u gebruikt, voldoet niet aan de huidige internet-normen.
Daarom krijgt u deze sterk vereenvoudigde versie van de website te zien.

Site ontwikkeling door Quixpace bvba