Joris Pelgrims (KHK en INBO) besprak een project voor de licentiejacht op ree in Ravelsbos en het gebied van de Hoge Vijvers. Beide domeinen in de Antwerpse kempen zijn eigendom van het Vlaamse gewest en samen 1340 ha groot. Het onderzoeksgebied werd verdeeld over 8 sectoren welke opgevolgd zullen worden van 2009 tot 2018. In elke sector wordt er gejaagd vanop 4 hoogzitten. Bij licentiejacht blijft de overheid zelf het jachtrecht behouden en verantwoordelijk voor de wildschade. Het afschotplan wordt door ANB opgemaakt en goedgekeurd. De jagers die een licentie kopen mogen dan in één of meerdere sectoren gedurende een korte periode en op bepaalde uren jagen. Joris nam interviews af van betrokkenen zoals jagers en boswachters om te peilen naar hun verwachtingen en ervaringen. Er wordt ook gewerkt met meldingsformulieren van de geschoten reeën, waarbij gegevens werden verzameld. Vooral bij de kitsen lag het gewicht laag, wat wijst op een minder goede conditie en een te hoge populatie. In totaal werden er 42 reeën geschoten. Gemiddeld zat een jager 5,78 uur op de loer om een ree te schieten en 22,8 minuten om een ree te zien. Het werd geappreciëerd dat ook minder kapitaalkrachtige jagers konden meedoen. In Duitsland en Frankrijk is er al meer licentiejacht. De meeste betrokken jagers hadden er geen ervaring mee, maar de conclusie is dat het ook in andere gebieden zou kunnen toegepast worden, als deze voldoende groot zijn. (presentatie in pdf)
Stefanie Mannaerts (INBO en KHK) bepaalde de kwaliteit van groenelementen in Turnhout, meer bepaald het verschil tussen twee zones : stedelijk wonen west en stedelijk wonen oost, beide vlak naast het eigenlijk stadscentrum. Een bevraging bracht aan het licht dat de groenindruk 10% verschilde tussen de stadsdelen en haar onderzoek ging na waarom. Hierbij maakte zij onderscheid tussen straatgroen (straatbomen en voortuinen), informeel groen (bvb. landbouwgronden) en het publiek toegankelijke formeel groen (parken en dergelijke). Om de aantrekkelijkheid van formeel groen na te gaan werden scores gegeven van 0 tot 5 voor 5 parameters : ruimte, natuur, cultuur en historie, rust en stilte, uitrusting. Het verschil tussen beide stedelijke zones zat hem vooral in het informele groen. De kwaliteit van formeel groen wordt vooral uitgemaakt door de variatie : bvb; ook fruitbomen erbij, bomen en struiken, met een historisch cultuurelement erbij zoals bvb. een oude molen, speeltuigen en veel rust. (presentatie in pdf)
Koen Thijs (KULeuven en National Museums of Kenya) stelde ons de structuur en de samenstelling voor van het regenwoud van de Taita Hills in Kenia. Dit is een biodiversiteitshotspot met veel endemische soorten (die enkel daar voorkomen) in een relatief regenrijk micro-klimaat op een gebergte. Het woud wordt omgeven door drogere savanne en is reeds lange tijd geïsoleerd van andere regenwouden. Maar van het oorspronkelijke bos is reeds 96 tot 99% verloren gegaan en wat rest is meestal gedegradeerd (geitenbegrazing, exotische boomsoorten, …) en ruimtelijk gefragmenteerd over 12 fragmenten, samen 430 ha. Hij onderzocht 80 stukjes bos van 20x20m in alle bosfragmenten van de Taita Hills op bomen, struiken en zaailingen, waarbij ook het stikstofgehalte, de diepte van de bodem, de dikte van de strooisellaag en dood hout werden opgemeten. Meer begrazing bleek gelinkt aan een dunnere strooisellaag en een lagere leaf area index (LAI). De grotere bosfragmenten van Mbololo en Ngangao toonden zich het meest intact. Zeer hoopgevend is dat de struiklaag en de gegevens van de zaailingen meer neigen naar het intacte inheemse bos dan de boomlaag. Spontaan herstel van dit sterk bedreigde regenwoudecosysteem is dus mogelijk. (presentatie in pdf)
Hans Nickmans (KULeuven en National Museums of Kenya) onderzocht de fysiologie van de 21 meest voorkomende boomsoorten in de Taita Hills (Kenia). Het zijn allemaal soorten uit de boomlaag en meer bepaald hun gedrag ten opzichte van open plekken (forest gaps) werd bestudeerd. Het was echter niet mogelijk om langdurige ecologische observaties te doen en daarom werd er gekeken naar de bladkarakteristieken, waarvan studies hebben aangetoond dat ze gelinkt kunnen worden met autecologische eigenschappen. Pioniersoorten vragen veel licht en vertonen een snelle groei met grote, dunne bladeren en lange, lichte bladstelen. Lichtboomsoorten vergen veel licht, maar moeten zich ook wapenen tegen de negatieve effecten van al te sterke instraling : dikke, kleine bladeren, meer investering in bladstelen en internodes en een hogere transpiratie gerealiseerd met een hogere densiteit aan huidmondjes; Schaduwtolerante soorten vertonen mechanismen voor lichtcaptatie : kleinere bladeren met lange bladstelen of grote bladeren met kortere bladstelen. Het veldwerk omvatte de lichtconditie van de standplaatsen bepalen, bladeren verzamelen en opmeten, houtstalen opmeten en huidmondjes tellen. In het labo werden ook stikstof en fosforanalyses gedaan. Alles werd geanalyseerd met een principale componenten analyse, waarbij bladdikte en bladgrootte de meeste variatie bleken op te leveren. (presentatie in pdf)
Maja Simpraga (UGent) onderzocht de verandering van de LAI (leaf area index) doorheen de seizoenen volgens verschillende methodes. De LAI is het aantal m² blad per m² grond en varieert in deze studie van zowat 0 tot in de buurt van 6. Naast de LAI is er ook een PAI (plant area index), waarvoor niet alleen de bladeren gemeten worden. Alle testen werden uitgevoerd in het experimenteel bos van Vielsalm. Ze vergeleek 4 meetmethodes : hemispherische fotografie met een fish eye lens, het toestel LAI-2200 met 5 sensors, de geïntercepteerde PAR (photosynthetic active radiation) met verschillende sensoren en tenslotte de NDVI (Normalized Difference Vegetation Index) die van boven de meettoren naar beneden mat. Ze besprak de sterktes en zwaktes van elk systeem, en concludeerde dat met alle technieken de LAI en de openheid van de bestanden doorheen de seizoenen kon gemeten worden. Afhankelijk van het doel van het onderzoek kan telkens een bepaalde techniek aangeraden worden. (presentatie in pdf)
Sandy Adriaenssens (UGent en UA) bepaalde de opname van stikstof uit regenwater door boomkronen in relatie tot doorvalmetingen. De hoeveelheden stikstofoxiden en ammoniak in de lucht zijn toegenomen door menselijke activiteiten en bomen kunnen stikstofverbindingen zowel in opgeloste vorm als gasvormig opnemen. Het is dus een belangrijk ecologisch proces dat echter moeilijk te kwantificeren valt. Bij haar onderzoek maakte ze gebruik van een tracer : een stabiel isotoop van stikstof (15N), en 3 jaar oude boompjes van beuk, zomereik, ruwe berk en grove den, geplant in potten. Takken werden besproeid en het doorvalwater werd onderzocht. Hetzelfde werd gedaan met fysiologisch dode takken en de takken werden chemisch geanalyseerd. Ammoniak bleek 3 à 10 meer opgenomen dan stikstofoxide en de loofbomen bleken 2 à 3 meer op te nemen dan de grove den, die tijdens de winter wel nog een lage opname realiseerde. Maar ondanks de lagere opnamesnelheid zullen naaldbomen op jaarbasis meer stikstof opnemen dan loofbomen. Slechts 1 à 3 % van de stikstof in het regenwater werd opgenomen door de kronen of 0,6kg/ha.j en dit proces is afhankelijk van de stikstofvorm, de boomsoort, de fenologie en verhouding ammoniak over stikstofoxide. (presentatie in pdf)
Wesley Tack (UGent) onderzocht de relatie tussen teken en knaagdieren in bestanden van Corsicaanse den en Zomereik te Averbode. Europa telt een 30-tal soorten teken en bij ons gaat het vooral om Ixodes ricinus, die ook in dit onderzoek bestudeerd werd. Dit diertje vertoont drie stadia (larve, nimf en adult) en elk stadium heeft een bloedmaaltijd nodig voor de verdere ontwikkeling. Deze teek brengt een bacterie over die bij de mens Lyme borreliosis veroorzaakt, een ziekte die we sinds 1998 meer aantreffen in Brabant, Antwerpen en Limburg. Ze komen vooral in bossen voor, omdat ze gevoelig zijn voor uitdroging en parasiteren er o.a. op muizen en reeën. Het effect van mastjaren met meer eikels werd onderzocht en daarom werd er in 2008 (geen mastjaar) op enkele bestanden 200kg eikels uitgestrooid. 2009 was wel een uitstekend mastjaar en daarom werd deze behandeling niet herhaald. De teken werden bemonsterd met een flanellen sleepdoek : ze denken dat dit de vacht is van een dier en hechten zich vast. De knaagdieren betreffen vooral bosmuis en rosse woelmuis, waarvan er 753 gevangen werden met life-traps voor en na de val van de eikels. De eikeltoediening leverde lokaal een toename van de knaagdieren op en na het mastjaar bleek er een toename te zijn in alle bestanden (ook onder Corsicaanse den). Verder waren er meer tekennimfen als er meer knaagdieren waren het jaar voordien. De muizen zijn immers de sleutelgastheren voor de tekenlarven. Een mastjaar levert dus het jaar erna meer muizen op en twee jaar later meer teken, die ook ons kunnen steken. (presentatie in pdf)
Ouafik El Kasmioui (UA) kwam het Popfull-project voorstellen dat in 2010 begonnen is met een groot onderzoek op KOH (korte omloop houtproductie). Over 18,4 ha in Lochristi werden aanplantingen verricht à rato van 8000 stekken per ha. Ze gaan twee keer oogsten : na 2 jaar en na 4 jaar. 12 geselecteerde populierenklonen en 3 wilgenklonen worden gebruikt; er zijn ook stukken waarin ze gemengd worden. Vier vragen worden bestudeerd : levenscyclusanalyse (LCA), de balans van de 5 belangrijkste broeikasgassen, totale energiebalans of energie-efficiëntie, economische balans (kosten en opbrengsten). Hiervoor werd ook een kleine toren met meetapparatuur geïnstalleerd. Er waren nogal wat problemen met onkruid, dat chemisch en mechanisch bestreden werd. Toch was er 19% uitval zodat eind 2010 ingeboet werd. De populierenkloon Robusta bleek veel last van roest te hebben en de wilgenklonen Tora en Gudrun van wilgenhaantje, maar dat was een kleiner probleem. Een driejarige rotatie zou allicht voordeliger kunnen zijn dan een tweejarige, maar in dit project is het de bedoeling om over 4 jaar zoveel mogelijk gegevens te verzamelen. (presentatie in pdf)
Stephanie Schelfhout (UGent) onderzocht het boomsoorteffect op regenwormpopulaties in Deense en Vlaamse bossen. De waarnemingen werden verricht op 6 plaatsen in Denemarken en 1 plaats in Vlaanderen (Mortagnebos bij Kortrijk). In totaal vond ze 14 regenwormsoorten, welke kunnen verdeeld worden in 3 groepen. De epigeïsche leven tussen het strooisel aan de oppervlakte en zijn weinig gevoelig aan de zuurtegraad van de bodem. De endogeïsche eten zich een weg door de bodem en maken tijdelijke gangetjes, maar komen niet voor onder een pH van 4. De anekische regenwormen tenslotte zijn grote soorten die permanente gangen maken tot 2m diep. Ze zijn zeer belangrijk voor de bodemstructuur, maar zijn ook gevoelig voor zuurdere bodems. De boomsoorten bleken uiteen te vallen in 3 groepen : 1) fijnspar, met veel zuur strooisel en bijna geen regenwormen, 2) beuk en eik, met meer regenwormen, 3) linde, esdoorn en es, met het minst zure strooisel, een zeer lage accumulatie van strooisel en de meeste regenwormen. Globaal genomen overtrof dit boomsoorteffect het effect van het voormalig landgebruik (beukenbosbos of landbouw). De boomsoortenkeuze is dus zeer belangrijk voor het behoud van de bodemkwaliteit op langere termijn. (presentatie in pdf)
Gorik Verstraeten (UGent) ging het verschil na in bodem en strooisel door een omvorming van gemengd loofhout naar fijnspar. Dit onderzoek werd uitgevoerd in de Gaume, waar men in oud, gemengd loofhout 30 à 50 jaar gelden eilandjes fijnspar heeft aangeplant. Er werd gewerkt met proefvlakken in paren : telkens één onder fijnspar en 50m verder één onder loofhout (zomereik, wintereik, haagbeuk en beuk). Onder fijnspar bleek de bodem sterk verzuurd, waarbij de diepere bodemlagen (25-35cm) nog geen verschil gaven en dus wezen op de gelijke uitgangstoestand. Onder fijnspar was de strooisellaag ook dikker (vooral de H-laag). Het aantal soorten kruiden bleek in beide omstandigheden gelijk maar op basis van de Ellenberg-waarden waren de stukken met fijnspar wel gemiddeld zuurder en minder donker. Dit laatste is toe schrijven aan de sterke dunningen in deze fijnsparbestanden. Onder het loofhout waren er meer typische voorjaarsbloeiers (winterkaal bos), meer oud-bos-planten en meer rode-lijst-soorten. Het was verder duidelijk dat de fijnspar de regenwormpopulaties terugbracht tot een constant laag niveau. Als conclusie kan gesteld worden dat de fijnspar de standplaatsen heeft gedegradeerd van een mesotrofe naar een oligotrofe toestand. (presentatie in pdf)
Kris Verheyen (UGent) sloot de dag af met een langere voordracht over de betekenis van het bos(beheer) in de Lage Landen, waar hij in de titel een vraagteken bij plaatste. De aanleiding is de uitgave van het nieuwe standaardwerk “Bosecologie en Bosbeheer"? waar hij één van de voornaamste auteurs van is. De 27 landen van de Europese Unie zijn voor 42% met bos bedekt. In Vlaanderen en Nederland bedraagt dit maar ongeveer 10%. In de EU wordt er meer dan 400 miljoen m³ rondhout per jaar geproduceerd, wat neerkomt op ongeveer 2m³/ha.jaar In Vlaanderen wordt ongeveer 300.000m³/jaar geproduceerd, wat eveneens neerkomt op 2m³/ha.jaar, terwijl het in Nederland eerder 3m³/ha.jaar is. De betekenis van het Vlaamse en Nederlandse bos op Europese is dus beperkt qua areaal en totale productie.


Maar in de Lage Landen was er al heel vroeg in de jaren 1970 aandacht voor de multifunctionele rol van het bos. Niet alleen de bomen en het hout werden bekeken, maar het gehele ecosysteem en ook andere dan economische functies. De redenen hiervoor zijn allicht het kleine economische belang van het bos in de Lage Landen, de hoge bevolkingsdichtheid en de sterke erosie van de biodiversiteit. In Nederland is er sinds medio jaren ’90 zelfs geen aparte bosbeleidsvisie meer, dit zit volledig geïntegreerd in het natuurbeleid. In Vlaanderen komt het zo ver niet, maar belangrijke organisaties zoals INBO en ANB zijn wel gefusioneerd.
Alles wijst erop dat de Lage Landen in deze aandacht voor multifunctionaliteit vooruit lopen op andere Europese landen. In 2005 kwam er namelijk het Millennium Ecosystem Assessment, waarin een nieuwe basis gelegd werd voor het concept ecosysteemdiensten (productiediensten, maar ook regulerende diensten, culturele diensten en ondersteunende diensten). Het behoud van de biodiversiteit was tot voor kort vooral gebaseerd op een ethische waardering, maar door de ecosysteemdiensten kan dit meer gebaseerd zijn op een economische waardering. Nu komt er ook een vervolg op het millennium ecosysteem assessment, namelijk “The Economics of Ecosystems & Biodiversity"? (www.teebweb.org).
De economie zal noodgedwongen meer “bio-based"? worden en vooral de vraag naar productiediensten (feed, food, fiber, fuel) zal op korte termijn sterk toenemen. Een studie uit 2010 van de Universiteit van Hamburg en het Nederlandse Probos wijst uit dat de vraag naar hout voor industrieel en energetisch gebruik in die mate zal toenemen dat zich voor 2030 een dermate groot houttekort zal voordoen in de EU27, dat zelfvoorziening zonder import niet meer mogelijk zal zijn. Nochtans is het gebruik van hout rechtstreeks uit het bos voor energieopwekking niet zo verstandig omdat ecosystemen slechts ongeveer 1% van de zonnestraling benutten. De nieuwste zonnepanelen halen reeds rendementen van 40%. Als conclusie kan gesteld worden dat de grote meerwaarde van bosecosystemen schuilt in de productie van complexe organische verbindingen in combinatie met een hele reeks regulerende en culturele diensten. Dit zijn grote uitdagingen voor de aanzienlijke en uitstekende onderzoekscapaciteit die Vlaanderen en Nederland rijk zijn. (presentatie in pdf)
Tot slot werden de prijzen uitgereikt aan de posters.
Uit de 17 posters werd door de zaal Inne Roelen (KHK) verkozen, die een toegankelijke identificatiesleutel opstelde voor een hele reeks boomsoorten van de Taita Hills in Kenia.
De professionele jury koos voor de poster van Ellen Janssen (KULeuven) over de groeiveranderingen bij beuk in Vlaanderen. Steeds meer onderzoeken wijzen immers op een verhoogde productiviteit in de Europese bossen, wat wijst op een verbetering van de standplaatskwaliteit.


|
nummer |
naam |
instituut |
titel |
|
1 |
Aertsen Wim |
KULeuven en INBO |
Predicting forest site productivity based on abiotic, biotic and ecosystem indicator sets. |
|
2 |
Bellings Lore |
KULeuven |
Biomassa voor de toekomst in dicht bevolkte regio’s: relaties in Low-Input High-Diversity (LIHiD) ecosystemen. |
|
3 |
Bollen Frederik |
KHK |
Productiviteit van bossen in Vlaanderen op grond van bodem. |
|
4 |
Broeckx Laura S., Verlinden Melanie S. |
UA |
Invloed van voormalig landgebruik op de productiviteit van populier in een bio-energieplantage tijdens het vestigingsjaar. |
|
5 |
Buggenhout Maud |
UGent |
Belang van korte omloophoutplantages voor de biodiversiteit in het buitengebied. |
|
6 |
De Couck Nathasja |
UGent |
Veranderingen in de boomlaag in het Aelmoeseneiebos en de impact op strooisel, bodem en kruidlaag. |
|
7 |
De Dobbelaere Anke & Tallieu Rurger |
UGent |
Agroforestry |
|
8 |
De Frenne Pieter |
UGent |
Het effect van klimaatverandering op bosplanten langsheen een latitudinale gradiënt. |
|
9 |
De Meulder Jitte |
KHK en KMDA |
De invloed van de rang op de infectie intensiteit van maagdarmparasieten bij het Soay schaap. |
|
10 |
Janssen Ellen |
KULeuven |
Groeiveranderingen bij beuk in Vlaanderen. |
|
11 |
Kerkhofs Toon |
KHK en INBO |
Vishabitatmodellering in functie van een rivierherstelproject in de Marke (Denderbekken). |
|
12 |
Leblans Niki |
UA |
Groei van typische toendrastuiken aan de boomgrens in Noord Zweden: huidige toestand en impact van verwachte klimaatveranderingen in manipulatieve experimenten. |
|
13 |
Roelen Inne |
KHK/ |
Woody species of |
|
14 |
Sioen Geert |
INBO |
Het bosvitaliteitsmeetnet in Vlaanderen. |
|
15 |
Van Dessel Tim |
KHK |
Schatting van de biomassa met behulp van digitaal beeldmateriaal. |
|
16 |
Verstraeten Arne |
INBO |
Intensieve Monitoring van Bosecosystemen in Vlaanderen (Level II). |
|
17 |
Wouters Jonatan |
KHK |
Het vetgehalte van de Europese haas (Lepus europaeus) in Vlaanderen als proxy voor de performantie van dieren. |