
Donderdag 19 maart vond in Brussel het congres 'Starters in het bosonderzoek' plaats. Deze studiedag werd georganiseerd door het Agentschap voor Natuur en Bos, INBO, Katholieke Universiteit Leuven, Universiteit Antwerpen, Universiteit Gent, Vrije Universiteit Brussel en Inverde. Jonge wetenschappers die in Vlaanderen onderzoek doen over bos, stelden hun resultaten voor. Ze brachten lezingen en postersessies. 150 mensen vormden een geboeid publiek.
Als dagvoorzitter wees Carl De Schepper erop dat deze studiedag reeds voor de vierde keer doorging om de twee jaar. Ondertussen zijn er ook al twee gelijkaardige studiedagen geweest omtrent natuuronderzoek en het doel van dit initiatief is meer dynamiek in het onderzoek brengen, de communicatie verbeteren, netwerken en samenwerking promoten over de instellingen heen.
We geven je graag een samenvatting van de lezingen. Onderaan deze pagina vind je de abstracts van de lezingen en posters terug.
Wim Boonen (K.U.Leuven) & Tine Van den Broeck (UGent) onderzochten vegetatieveranderingen in bossen op zandgrond in de Gaume. De voorbije decennia zijn er in deze bossen omvormingen geweest van naaldhout naar loofhout en van middelhout naar hooghout. Daarbij wordt er over het algemeen minder gekapt zodat de bossen donkerder geworden zijn. Ze hebben ook heel wat atmosferische depositie over zich heen gekregen. Tine heeft 43 plots die 50 jaar geleden opgenomen zijn door Nicolas Sougnez opnieuw opgenomen. Soorten als Aardbeiganzerik en Amandelwolfsmelk bleken hierbij achteruitgegaan te zijn. De algemene tendens was verzuring, verdonkering en vermesting, waarbij de verzuring en vermesting een grotere impact hadden op de iets voedselrijkere standplaatsen. Wim vergeleek in 40 plots vegetatie en bodem tussen naaldhout en loofhout bij gelijke abiotiek. Onder loofhout waren er meer soorten per plot, was het minder zuur en was het strooisel minder dik. Op de iets rijkere bodems was het verschil tussen loofhout en naaldhout groter.
Lotte Van Nevel (UGent) & Stijn Van Slycken (UGent) hebben de fytoremediatie onderzocht van metaalverontreinigde bodems in de noorderkempen (Lommel). Deze vervuiling is doorgegaan van in de 19de eeuw tot in 1970 en strekt zich uit over 700 km². Het betreft voornamelijk cadmium, lood en zink. De normen in voedsel- en voedergewassen worden er overschreden en er is een wezenlijk risico op kanker. Bij fytoremediatie worden door middel van plantengroei polluenten uit het ecosysteem verwijderd of geneutraliseerd. Er worden in de praktijk proeven gedaan met maïs, koolzaad, tarwe en korte omloop hout. Met veredelde populier bleek het mogelijk 10 ton droge stof /ha.jaar te oogsten waarbij de zware metalen vooral in het blad zaten. Ook wanneer we rekening houden met de kost voor ontstronking kan de investering over 21 jaar terugverdiend worden en kan zo de grond gesaneerd worden. Maïs bleek veel minder polluenten op te nemen, waardoor het als voedergewas ook op (licht) verontreinigde grond bruikbaar wordt. Daarnaast is ook een klassieke bebossing uit 1996-98 met 14 verschillende boomsoorten onderzocht. De cadmiumconcentratie bleek zeer hoog in trilpopulier en zink bleek vooral opgenomen te worden door berk en trilpopulier. Andere soorten namen zo goed als niets op, wat mogelijkheden biedt om de polluenten in de grond te neutraliseren, als ze tenminste door verzuring niet uitspoelen, zodat gezorgd moet worden voor een menging tussen de boomsoorten. Populieren blijken dus juist geschikt te zijn om de polluenten uit de bodem te extraheren, waarna op hetzelfde terrein opnieuw gewone landbouw mogelijk wordt.
Bert Gielen (UA) en Frederic Vermeiren (INBO) zijn bezig met een internationaal gekaderde langetermijnstudie over de waterbalans van onze bossen en de invloed van het klimaat en het vegetatietype hierop. Hiervoor wordt er met EU-geld op 5 plaatsen in Vlaanderen intensief gemonitord en worden de koolstof- en waterbalans met modellen onderzocht. De gesimuleerde gegevens worden dan vergeleken met de echte waarnemingen. In de maanden maart, april en mei zijn er verschillen tussen loofhout en naaldhout toe te schrijven aan het verschil in LAI (leaf area index). In 2003 was er een zeer uitgesproken droogtedeficiet in Zoniën, mede te wijten aan de diepe grondwatertafel. Een bos bij ons blijkt 400 à 500 mm/jaar te evapotranspireren. In het toekomstige klimaat wordt er uitgegaan van een verlaagde drainage en een verhoging van de evaporatie door de bodem en de kronen. Toekomstige klimaatscenario’s kunnen zo gelinkt worden met dit onderzoek naar de waterbalans.
Wim Aertsen (K.U.Leuven) bracht een presentatie over de standplaatsgeschiktheid van eik, beuk en (Grove) den. Deze studie is een onderdeel van het simfortree-project waarover ook de poster van Rapael Bequet handelde. Wim bestudeert meer bepaald de relaties tussen abiotiek, biotiek en bosontwikkeling (hoogtegroei, volume en andere functies). De dominante hoogte van een bosbestand is in grote mate beheersonafhankelijk en wordt daarom gebruikt als ingang tot de boniteit of de site-index. Hij heeft 200 onderzoeksplots en hij streeft naar gebiedsdekkende kaarten voor deze drie boomsoorten. De zandfractie van de bodem blijkt negatief gecorreleerd met de groei en het stikstofgehalte evenals de dikte van de Ah-laag positief. Het koolstofgehalte van de bodems bleek negatief gecorreleerd met de boomgroei, waarschijnlijk omdat slecht gedraineerde, veenachtige bodems ook meer organisch materiaal en dus koolstof bevatten.
Rink Kruk (INBO) besprak de realisatie van de natura 2000 gebieden, die de combinatie zijn van de vogelrichtlijngebieden (1979) en de habitatrichtlijngebieden (1992). Het doel ervan is de bescherming van de biodiversiteit in Europa. Ze bestrijken 15% van de oppervlakte van de EU en 30% van de habitats is bosgerelateerd. Vele van deze terreinen zijn privé-eigendom en bij de bossen in de EU is dit 60%. In de EU halen 3,3 miljoen mensen een inkomen uit het bos, in totaal 355 miljard €/jaar. Economische activiteiten in natura 2000 gebieden kunnen, zolang ze geen zware last zijn voor de biodiversiteit. Rink gaat na hoe het gesteld is in de 27 lidstaten met de aanwijzing van de gebieden, het beheer en de publieke participatie. De selectie van de gebieden wordt beoordeeld door de EU evenals de wetgeving en de beheerplannen. Op basis van de analyse van een hele reeks probleemsituaties kwam hij tot 4 conclusies : 1) de voorlichting is zeer belangrijk, 2) de publieke participatie moet zo vroeg mogelijk beginnen, 3) een geïntegreerd beheer is nodig met natuurbescherming, bosbouw, landbouw, jagerij, lokale autoriteiten en toerisme, 4) er moet continuïteit zitten in het beheer.
Pieter De Frenne (UGent) brengt de voorspelde klimaatsopwarming van 2 tot 5°C in herinnering, gekoppeld aan een noordwaartse opschuiving van de isothermen over 400km. Hij voerde een experiment uit met hexagonale open top chambers uit polycarbonaat kunststof, die reeds gebruikt zijn in toendra-ecosystemen, maar hij bestudeerde dit in het Aelmoeseneiebos bij Gent. Als proefplant werd de lokale populatie van bosanemoon gebruikt. Zoals verwacht steeg de temperatuur vooral in de vroege lente, op het moment dat de bosanemonen in bloei staan, maar de grote bomen er nog geen bladeren dragen. De bosanemonen bleken slechts een klein beetje vroeger te bloeien, maar wel 7cm hoger te komen. Ze bleken ook minder zaden te produceren met een lager kiemingspercentage. Misschien was er te weinig kruisbestuiving in deze relatief afgesloten constructies? Als conclusie kan zeker gesteld worden dat de techniek ook in bossen nuttig is om het effect van temperatuurverhogingen na te gaan.
Evy Ampoorter (UGent) bestudeerde het effect van gemechaniseerde houtoogst op bosbodems. In deze lezing bracht ze de resultaten van een uitgebreid literatuuronderzoek, waaruit uiteindelijk de resultaten in 11 artikels met elkaar vergeleken werden. In tegenstelling tot wat algemeen aangenomen werd, bleken zandbodems even goed vatbaar voor verdichting als kleibodems. Bij bodems die reeds een hoge bulkdensiteit hadden werd geen verdere verdichting door berijden vastgesteld. Hoe hoger het machinegewicht hoe sterker de compactie, waarbij het ook duidelijk is dat het effect van de eerste keer erover rijden het hoogst is. Het herstel verloopt altijd zeer traag, zodat het aangewezen is om overal met vaste ruimingspistes te werken en voor licht werk steeds lichte machines in te zetten.
Wesley Tack (UGent) besprak zijn ervaringen met de teek Ixodes ricinus in relatie tot de bosstructuur. Eerst gaf hij uitleg over de gewoonlijk driejarige cyclus (ei, larf, nimf en adult), die op allerhande dieren (zoogdieren, vogels en reptielen) wordt gerealiseerd, maar uiteindelijk vooral op reeën. De teken gedijen minder als het te warm en te droog is, zodat ze vooral in bosrijke gebieden voorkomen. Dan bracht hij de gevaarlijke ziektes in herinnering die door deze teek worden overgebracht : TBE-virus (nog niet bij ons) en Lyme borreliose (de ons bekende bacterieziekte). Het onderzoek wint aan belangrijkheid omdat Lyme-borreliose de laatste 15 jaar sterk is toegenomen in Vlaanderen. Hij voerde zijn onderzoek uit in Averbode en Postel onder eik en den met of zonder struiklaag. In een dennenbos met struiken bleken er veel meer larven voor te komen dan zonder. Dit was ook gelinkt met het aantal ligplekken voor reeën, waarop de teken vooral leven. De struiken leveren dus dekking aan de reeën en maken het bosklimaat ook beter voor de teken. Verdere experimenten betreffen het verwijderen van de struiklaag, dunningen en het uitstrooien van eikels om een mastjaar te simuleren en zo het effect van de muizenstand na te gaan.
Katrien Quisthoudt (VUB) bracht ons naar de tropen in haar onderzoek naar de latitudinale grenzen van de mangrovebossen die voorkomen aan kusten in zout zeewater met getijdenwerking. In de Middellandse Zee blijkt het echter al relatief te koud voor deze groep van enkele tientallen gespecialiseerde boomsoorten. De laatste 20 jaar zijn de helft van deze bossen gekapt voor het hout en om er garnaalkwekerijen aan te leggen. Ze bestudeerde het geslacht Avicennia, dat het verst naar het noorden voorkomt, en het geslacht Rhizophora, dat de voornaamste opbouwer is van de structuur van dit ecosysteem, maar gemiddeld 206 km minder noordelijk raakt dan Avicennia. Deze laatste bleek begrensd door een jaarlijkse gemiddelde zeetemperatuur van 22,6°C en een jaarlijkse gemiddelde luchttemperatuur van 20,0°C.
Senior-onderzoeker Gustaaf Verswijver (Koniklijk Museum voor Midden-Afrika) mocht de dag afsluiten met een zeer geapprecieerd relaas over zijn projecten bij de Kaiapo-indianen in Brazilië. Zij zijn bij ons vooral bekend omwille van één van hun opperhoofden Raoni, met zijn lipschijf en zijn hoofdtooi van pluimen. Hij reisde de wereld af samen met popster Sting en kwam ook met Vera Dua naar Vlaanderen.
Gustaaf spreekt als onderzoeker de taal van de Kaiapo en wist zo met hen samen te werken op basis van heel veel overleg. Raoni is nu de 80 voorbij, hij denkt zeer traditioneel, maar realistisch en daarom drong hij steeds aan op economische projecten met de steun van de Vlaamse gemeenschap. Het reservaat van de Kaiapo is ongeveer 2 keer de oppervlakte van België, vele verplaatsingen gebeuren dan ook met vliegtuigjes, wat de projecten zeer duur maakt. Bijzonder impressionant zijn de luchtfoto’s, waarbij duidelijk is dat hun reservaat van verschillende kanten bedreigd wordt door grootschalige houtkap en kolonisten. Gustaaf vertelde vooral over het kastanjeproject, waarbij uit lokaal gewonnen brazil-noten olie wordt geperst. De bomen die deze vruchten produceren zijn beschermd en kunnen zeer oud worden. Dit vergde heel wat investeringen : bootjes om de noten aan te brengen, opslagplaatsen, persen en een gebouw om ze te verwerken, … Het project verliep moeizaam door allerlei tegenslagen, zo moest er veel hygiënischer gewerkt worden dan eerst gedacht en ook de opbrengst viel tegen. Toch werd er doorgezet, waarbij ze zelfs in ploegen gingen werken. Dit alles in een landschap met illegale houtzoekers en houthakkers, waartegen door de indianen gepatrouilleerd wordt. Het bewijst in ieder geval dat niet al te grote projecten kunnen slagen als de mensen er volledig bij betrokken zijn.
90 aanwezigen brachten hun stem uit voor een wedstrijd om de beste poster. Winnares was Tatiana Wuytack (UA) met een poster over de biomonitoring van de luchtkwaliteit op basis van anatomische en morfologische blad- en boomkenmerken van Schietwilg. Zo wordt de vorming van kleinere stomata (huidmondjes) in meer vervuilde gebieden beschouwd als een aanpassingsmechanisme aan slechtere luchtkwaliteit. Het publiek apprecieerde vooral de vormgeving van de poster en de verstaanbaarheid/duidelijkheid.
Op de tweede plaats kwam de poster van Isabelle Joos (UGent) over het gebruik van Colophospermum mopane door de Himba, een semi-nomadisch herdersvolk in het noordwesten van Namibië. Ze gebruiken het voor constructiehout, geriefhout, brandhout, veevoeder en medicinale doeleinden. Ze onderzocht ook het duurzaam beheer van de mopane-savanne in dit semi-ariede gebied. Bij haar werd vooral de vormgeving van de poster en de originaliteit van het onderwerp hoog ingeschat.
Wim Aertsen (K.U.Leuven): Standplaatsgeschiktheid van eik, beuk en den in Vlaanderen.
Rink W. Kruk (INBO): Natura 2000 in Europa: Sociaal-economische stakeholders doen aan bosbeheer.
Evy Ampoorter (UGent): Impact van gemechaniseerde houtoogst op Vlaamse bosbodems.
Katrien Quisthoudt (VUB): Wat bepaalt de latitudinale grenzen van het Mangrove-ecosysteem?
Wouter Achten
: Life cycle Assessment of Jatropha biodiesel: preliminary results of an Indian case.
Sandy Adriaenssens: Bepaling van de bovengrondse N opname door bladeren en takken: effect van boomsoort, stikstoflast en bladfenologie.
Sara Adriaenssens: Historisch-ecologisch onderzoek van oude boscomplexen in de Antwerpse Kempen.
Lander Baeten: Rekrutering van bosplanten in recente bossen : een introductie experiment.
Raphaël Bequet: A decision support tool for sustainable forest management based on ecophysiological analysis and simulation of the variability in tree development.
Jasper Bloemen: Dynamische interactie tussen fotosynthesen BVOS emissies in bosecosystemen.
Manu Büscher: Arbusculaire mycorrhizale fungi keren de produktiviteitsrespons van graslanden op toekomstig klimaat om.
Hannes Cosyns: Natural regeneration characteristics of native Bolivian tree species.
Elke Declerck: Boomsoort en bosleeftijd hebben een significante impact op de bodemnutriëntenstatus na bebossing van landbouwgronden.
Veerle De Schepper: Analysis of the effect of double girdling on stem diameter variations and photosynthesis in young oak trees.
Sebastiaan De Smedt: Invloed van klimaat op bladmorfologie van baobab (Adansonia digitata L.) in Mali.
Flore Devriendt: Objectgebaseerde classificatie van een sclerofyl eikenbos in NW Yunnan (China) met behulp van hoge resolutie satellietbeelden.
Rob D'Hondt: Variatie in kenmerken van bosplantenpopulaties langsheen een latitudinale gradiënt.
Wouter Dieleman: Irrigatie en beschikbaarheid van nutriënten sturen de respons van wortelbiomassa bij bomen onder een verhoogde [CO2]: Een meta-analyse.
Robert Gruwez: Verschillen in de ontwikkeling van het zaad van jeneverbes (Juniperus communis) bij populaties met en zonder verjonging.
Eline Hostens: Modellering van de migratie van Grevy’s zebra in functie van habitattype en vegetatie biomassa aan de hand van teledetectie.
Wannes Hubau: Morphology and growth periodicity of plantation grown limba trees (Terminalia superba Engl. & Diels).
Wannes Hubau: Charcoal from the Congo Basin: palaeo-botanical evidence for climate change?
Isabelle Joos: Lokaal gebruik en beheer van Colophospermum mopane door een semi-nomadisch herdersvolk in het noordwesten van Namibië.
Maarten Op De Beeck: Een vergelijking van enkele fotosynthese-afhankelijke stomatale modelvarianten aan de hand van data voor volwassen Europese beuk.
Bert Reubens: Woody vegetation for gully erosion control in Tigray, Ethiopia.
Elisabeth M.R. Robert: Successieve cambia in drie dimensies: de mangrove Avicennia van binnen bekeken.
Maja Simpraga: How does drought stress in a potted beech tree affects the relationship between photosynthesis and BVOC emissions?
Nina Van Den Bilcke: Effect van luchttemperatuur op de gasuitwisseling van baobabzaailingen (Adansonia digitata L.).
Margot Vanhellemont: Gedraagt Amerikaanse vogelkers zich altijd als een agressieve invasieve soort?
Gorik Verstraeten: Habitatvoorkeur van de nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus) in het gewestbos Pijnven te Hechtel-Eksel en implicaties voor het beheer.
Shari Van Wittenberghe: Karakterisatie van anatomische en fysiologische bladeigenschappen bij loof- en naaldboomsoorten en langsheen een verticale gradiënt bij beuk.
Tatiana Wuytack: Biomonitoring van de luchtkwaliteit aan de hand van plantkarakteristieken.